Contact vvp

Nieuws

DS: ‘Stigmatiseren we psychiatrische patiënten?’

11
dec

Tom Naegels over media en psychiatrisch stigma in De Standaard. Hij verwijst o.a naar onderzoek van Dr. Erik Thys en Dr. Kirsten Catthoor. Stigmabestrijding is en blijft een kerntaak van de psychiater

Mensen met een psychische aandoening storen zich aan de clichés die over hen de ronde doen. Geen makkelijke kwestie voor de media, schrijft Tom Naegels, al moet het mogelijk zijn om minder gratuit het verband te leggen tussen een stoornis en een misdaad.

Normaal zou de zin me niet zijn opgevallen. Het korte overlijdensbericht van Adele Morales(DS 30 november) ging helemaal over haar enige, nogal treurige, claim to fame: het feit dat ze in 1960 bijna doodgestoken werd door Norman Mailer, haar toenmalige man. Mailer werd vervolgd en in die context staat er: ‘De openbaar aanklager noemde de schrijver paranoïde en schizofreen.’

Is die zin nu stigmatiserend voor andere schizofrenen?

Het is een rare vraag en toch niet. Afgelopen week was ik uitgenodigd om te spreken op een congres van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie. Een van de redenen waarom psychiatrische patiënten te lang wachten om hulp te zoeken, en het ook moeilijker hebben om er weer bovenop te komen, is het negatieve beeld in de samenleving over sommige stoornissen. Dat geldt met name voor schizofrenie, met zijn clichés over de ‘gespleten persoonlijkheid’, de ‘stemmen in het hoofd’ en de psychoses, die vaak worden geassocieerd met agressief gedrag. ‘Als ik hoor dat ik schizofrenie heb’, zei een van de aanwezigen, ‘dan ga ik dat niet aan mijn vrienden of collega’s durven te vertellen, omdat ik vrees dat ze bang van mij zullen zijn.’ En dat, zo zei men, komt in belangrijke mate door de media, want schizofrenie duikt vooral op in contexten zoals in het citaat hierboven: als er een misdaad is gepleegd.

Dat klopt. Onderzoek van de zeven Vlaamse kranten die tussen 2008 en 2012 over autisme en schizofrenie bericht hebben, toont dat schizofrenie veel vaker in een negatieve context vermeld wordt – heel anders dan autisme. En dat terwijl de twee best wat gelijkenissen vertonen, en ooit zelfs als één stoornis werden beschouwd.

Kim De Gelder

De vraag aan mij was wat de media daaraan kunnen doen. Die is niet zo makkelijk te beantwoorden. Ten eerste duikt de negatieve beeldvorming vooral op in artikels die eigenlijk over iets anders gaan. Kim De Gelder zat in het nieuws omdat hij buitensporig gruwelijke moorden had gepleegd, niet omdat hij mogelijk schizofreen was. Als over dat laatste werd geschreven, dan omdat het een mogelijke verklaring voor zijn daden was, dan wel een truc om hem ontoerekeningsvatbaar te doen verklaren. ‘De moordenaar was mogelijk schizofreen’ is dan ook iets heel anders dan ‘Schizofrenen zijn mogelijk moordenaars’. Dus als in de hoofden van lezers toch dat stereotype ontstaat, dan gebeurt dat impliciet, door herhaling en associatie. Als journalist denk je: dat kan ik toch niet helpen?

Er kan natuurlijk wel iets aan gedaan worden, alleen tonen twee andere voorbeelden dat het een moeizaam proces is. Zowel door vrouwen als door etnisch-culturele minderheden wordt er al veel langer gewerkt rond de manier waarop ze in het nieuws (en in reclame, fictie, het Sinterklaasfeest...) worden afgebeeld. Vrouwen hameren erop dat ze veel minder dan mannen in het nieuws komen, en als het gebeurt dan vaak in de ‘zachte’ berichtgeving. Allochtonen hekelen dat ze vooral worden opgevoerd bij problemen. Beiden argumenteren, net als de psychiatrische patiënten, dat die stereotypering het hen ook in het echte leven moeilijker maakt, bijvoorbeeld in hun professionele carrière. Ze zijn er zelfs in geslaagd een zekere bewustwording te creëren. Maar dat wil nog niet zeggen dat het onevenwicht van de baan is. Er is een correctie gebeurd, maar vrouwen blijven ondervertegenwoordigd en allochtonen duiken nog altijd vaker op in negatieve contexten. Sommige dingen kun je ook niet vermijden: als mensen een moord plegen en schizofrenie is een mogelijke verklaring, dan zal dat gemeld worden, net zoals ‘een radicale interpretatie van de islam’ zal worden genoemd als verklaring voor een terreuraanslag. (Overigens merken veel moslims, ironisch genoeg, met jaloezie op dat ‘als een autochtoon een moord pleegt, hij altijd wel de een of andere stoornis heeft, maar bij ons is het sowieso ons geloof’.)

Wel moet het mogelijk zijn om niet gratuit het verband te leggen tussen een stoornis en een misdaad. In het stuk over Morales hoefde het niet per se te staan. Ook enkele artikels die ik online vond, waren niet nodig. ‘Morgan (12) stak haar vriendinnetje 19 keer omdat “de Slender Man het zo wilde”’, bijvoorbeeld (DS online 27 augustus) , of ‘Amerikaan onthoofdt moeder met bijl’ (DS 2 januari 2015) , twee keer over een moord in de VS. Die leken er alleen te staan omdat ze sensationeel zijn, en ik kan me voorstellen dat ze, voor iemand met schizofrenie, het cliché bevestigen van de psychoot met het mes uit de horrorfilm.

Al bij al gaat het, voor De Standaard, in het afgelopen jaar, om hooguit vier stukken die ik op die manier zou amenderen. Veel effect op de publieke opinie zal dat niet hebben. Wil de beweging tegen stigmatisering van psychiatrische patiënten echt effect hebben, dan zullen ze moeten doen wat de feministische en antiracistische bewegingen al jaren doen: politiek gewicht verwerven, en je stem luid laten horen.

Aanvulling (10 december 2015)

Bovenstaande column verscheen in de papieren De Standaard van 10 december 2015. Maar omdat het onderwerp me intrigeert, schrijf ik er hier graag verder over.

Het verwijt van stigmatisering in het nieuws krijg ik vaak te horen, van en over zeer uiteenlopende groepen. Ik heb als ombudsman al gesproken voor verenigingen die het opnemen voor mensen in armoede, voor ex-gedetineerden, voor mensen met een fysieke en mentale beperking, voor psychiatrische patiënten, en uiteraard voor vrouwen en voor etnische minderheden. Allemaal ontwikkelen ze dezelfde redenering: ‘de contexten waarin wij in het nieuws (en in reclame, en in fictieseries, en in kindertradities...) opduiken, versterken een breed gedeeld en schadelijk stereotype over ons, dat ons verhindert om volwaardig deel uit te maken van de samenleving.’ En bijna altijd gaat het dan om een verband dat niet expliciet wordt gelegd – er verschijnen dus geen artikels met titels als ‘Pas op voor schizofrenen, ze zijn potentiële moordenaars’ of ‘Vrouwen zijn niet doortastend genoeg om een bedrijf te leiden’ – maar impliciet, door herhaling en associatie.

(Terzijde, ook machtige spelers als politieke partijen, industriële lobbygroepen en middenveldorganisaties hanteren dezelfde redenering. Ook zij voelen zich stereotiep en negatief geportretteerd door het nieuws, en ook zij menen dat dat hun kansen beïnvloedt om verkiezingen te winnen, zakelijke deals te sluiten of hun visie fair en eerlijk te kunnen delen met het brede publiek. Het verklaart de populariteit van framing-theorieën onder woordvoerders en PR-professionals.)

Het houdt me bezig, omdat ik geloof dat een aantal groepen inderdaad routineus in steeds dezelfde contexten worden opgevoerd, en dat dat zowel een bestaand maatschappelijk vooroordeel reflecteert (het nieuws volgt de cultuur) als versterkt (het nieuws vormt de cultuur). Ik wil ook geloven dat het in sommige gevallen de integratie en acceptatie van die groepen in de bredere samenleving hindert. In het geval van de patiënten met schizofrenie bijvoorbeeld, kan ik me perfect voorstellen dat de berichtgeving over Kim De Gelder, James Holmes (die in 2012 een bloedbad aanrichtte in een bioscoop in Colorado) of Anders Behring Breivik (over wie ook werd gesuggereerd dat hij mogelijk schizofreen was) het beeld versterkt van schizofrenie als ‘gevaarlijke’ stoornis. (Al moet daarbij moeten opgemerkt dat het verband daar telkens door de advocaat van de dader werd gelegd, allicht in de hoop hem ontoerekeningsvatbaar te kunnen laten verklaren. De kritiek dient dus eigenlijk aan de advocatuur gericht te worden, niet naar het nieuws dat hun verdedigingsstrategie weergeeft.)

De problemen duiken echter op zodra je naar voorbeelden gaat zoeken. ‘Stereotypering’ is zo ongrijpbaar, dat iedere concrete uiting ervan snel futiel lijkt.

Een beetje een schizofreen, maar toch vooral een sfeervol, deugddoend gedurfd en strak geregisseerd debuut dat makkelijk boven de Vlaamse middelmaat uittorent.

Ik ben tegen etnische partijen, maar ik juich de oprichting en de successen van een islamitische partij in Rotterdam toe. Ben ik schizofreen? Neen hoor.

Maar zolang ons land samenwerkt met die dictaturen, hebben we geen lessen uit te delen. Het is pure schizofrenie.

Op Peanut butter wordt de noiserock netjes van de catchy popsongs gescheiden, waardoor dit album toch wat schizofreen aandoet.

Hier betekent ‘schizofreen’ dus iets als ‘hypocriet’, ‘tegenstrijdig’, ‘inconsequent’, ‘onevenwichtig’.... Tijdens de afgelopen vier jaar hebben lezers me daar over gemaild – een keer werd ik ook persoonlijk aangesproken door de ouders van een schizofrene zoon, en op het congres waar ik sprak, werd ik ingeleid met een lijst van dergelijke voorbeelden – omdat het volgens hen niet alleen een verkeerd beeld gaf van het échte ziektebeeld, maar ook een duidelijk negatieve lading droeg, en dus bijdroeg aan het algemene negatieve stereotype.

Ik heb nooit goed geweten wat ik met die klacht aan moest. Omdat vrijwel iédere ziekte, stoornis of aandoening een figuurlijke gebruik kent. Ook ouders van kinderen met autisme hebben daar al tegen mij over geklaagd, want ‘autistisch’ betekent figuurlijk eerder iets als ‘asociaal’, ‘in jezelf gekeerd’:

Ik betaal een prijs voor die vrijheid, ik zou veel meer verkopen als ik avonturenstrips zou maken. Maar die prijs betaal ik graag. Het heeft iets egoïstisch, iets autistisch: je terugtrekken in je atelier en daar je eigen weg zoeken.

‘Neurotisch’ vinden we in dit voorbeeld:

Toen hij zijn zwalpende ballads speelde, neurotisch croonend, met een ijle gitaarsolo als toetje, hoorde je waar hij de mosterd haalde. Bij Roxy Music.

En kijk, wat hebben we hier, ‘spastisch’:

De paniek om kijk- en luistercijfers begreep hij niet. Want zoiets leverde volgens hem vooral spastische tv en radio op.

En voor de liefhebbers, een hele lijst met figuurlijk gebruikte benamingen voor medische problemen, allemaal uit De Standaard:

West-Vlaanderen heeft jaren geworsteld met het trauma waarmee het alter ego van Wim Opbrouck hen had opgezadeld.

Leegstand vormt een kanker in de stad en moet aangepakt worden.

Er zijn weken, maanden of jaren dat beleggers depressief zijn, maar ook periodes waarin ze denken dat de bomen tot in de hemel groeien.

De fabriek lijkt tot 2017 veel werk te hebben en we krijgen een pervers effect.

De aanpak van de dreiging is gepaard gegaan met angst en psychose, in de hand gewerkt door de regering.

En in de meest algemene zin:

‘België zieke man van Europa’

Als dat al stigmatiserend is – en het wijst er natuurlijk op dat taalgebruikers ziek zijn in essentie als iets negatiefs zien – dan lijkt het me schier onmogelijk om daar iets aan te doen. Tenzij je natuurlijk wil argumenteren dat het een equivalent is van wat in de feministische en antiracistische tradities respectievelijk ‘structureel seksisme’ en ‘structureel racisme’ heet (‘structurele ziektefobie’?): een stereotype dat zo geworteld zit in de collectieve psyche, dat het ook in de taal tot uiting komt – en dat dus ook in de taal bestreden moet worden. Dat kan dan door bij herhaling te wijzen op de letterlijke betekenis van een ingesleten, figuurlijke uitdrukking, en zo het stigmatiserende karakter ervan opnieuw expliciet te maken. (Een mogelijke nieuwe kandidaat, ik stel het maar voor, is ‘bananenrepubliek’.)

(Nu ik hier toch maar wat zit te filosoferen, in de hoop dat ik niet klink als een hermetische poststructuralistische semioot, schiet het me te binnen dat Zwarte Piet door blanke autochtonen ook ervaren werd als een soort ‘figuurlijke uitdrukking’, een ‘figuurlijke zwarte’ aan wie je natuurlijk nog wel kon zien dat hij ooit letterlijk bedoeld was als domme Afrikaan, maar die betekenis werd in hun – ook mijn – beleving niet meer actief opgeroepen. Zoals de uitdrukking ‘een schizofreen beleid’ niet wordt aangevoeld als stigmatiserend voor schizofrenen. Tot die oorspronkelijke, letterlijke betekenis van Zwarte Piet door de politieke actie rond hem weer wél actief opgeroepen werd, en hij dus in zekere zin racistischer gemaakt is. Het is dus wel mogelijk, mocht men dat willen, om een bewustzijn te creëren rond het figuurlijke gebruik van ‘schizofreen’, ‘traumatisch’, ‘autistisch’ of ‘psychotisch’. Het is mogelijk om mensen zich te laten generen als ze die woorden gebruiken, zoals ze zich generen als iemand een achterbakse daad vandaag nog een ‘jodenstreek’ durft noemen. Maar daarbij herhaal ik dus: mocht men dat willen. Er bestaat in de brede samenleving, bij mensen die geen last hebben van discriminatie uiteraard, een enorme irritatie over dit alsmaar dieper graven in de collectieve psyche, het voortdurende delven naar altijd nieuwe vormen van potentiële stigmatisering.)

Laatste bedenking bij dit alles.

De hypothese is dus dat groepen impliciet gestigmatiseerd kunnen worden door de context waarin ze in de media komen. Als er over een moordenaar wordt gezegd dat hij mogelijk schizofreen is, dan kan dat het idee versterken dat schizofrenie in se tot gewelddadig gedrag leidt. Als er over hem wordt gezegd dat hij moslim is, dan versterkt dat mogelijk het wantrouwen tegen alle moslims. Maar die veralgemening wordt zeker niet altijd gemaakt. De vaakst genoemde eigenschap van een misdadiger, is dat hij man is. Toch meent niemand dat mannen daardoor gestigmatiseerd worden. Dat komt natuurlijk omdat veel lezers mannen zijn, of indien niet toch voortdurend in contact komen met mannen, waardoor het absurd wordt om het ‘man zijn’ te associëren met gewelddadig gedrag, zoals men dat mogelijk wel doet met het schizofreen zijn. Hoe minder vertrouwd, hoe sneller een stigma ‘pakt’.

De voordehandliggende strategie, voor wie de stereotypering van psychiatrische patiënten in het nieuws wil aanpakken, is dus om de vertrouwdheid te vergroten. Dat betekent: ervoor trachten te zorgen dat ze ook in ‘gewone’ contexten in het nieuws komen, naar analogie met de (matig succesvolle) pogingen die worden gedaan om etnisch-culturele minderheden in alle nieuwscontexten aan bod te laten komen – dus ook als ouders die het moeilijk hebben om hun kind ingeschreven te krijgen op school, of als burger die zich zorgen maakt over het kankerverwekkende van rood vlees. Voor allochtonen is dat een pak makkelijker dan voor psychiatrische patiënten, om voordehandliggende redenen, en ook daar loopt het moeizaam.

De paper waar ik aan het begin naar verwees, maakte een interessante observatie over het verschil in de beeldvorming rond mensen met autisme, en mensen met schizofrenie. De berichtgeving over autisme gaat vaak over kinderen, en het woord wordt gevoerd door hun ouders, dikwijls ouders uit de middenklasse die makkelijker toegang hebben tot de media. Schizofrenen in het nieuws zijn vaker volwassenen, en niemand voert het woord voor hen. Dat maakt het veel moeilijker om empathie te voelen voor de schizofrenen. Hun toegang tot de media is bovendien beperkt tot die momenten waarop ze de goegemeente opvallen: als ze gedrag hebben gesteld dat die goegemeente schokt, typisch als er een misdaad is gepleegd.

Wil men de vertrouwdheid met schizofrenie in het nieuws vergroten, en een positiever beeld over de stoornis verspreiden zodat ook patiënten zich minder uitgesloten voelen, dan moet er dus nagedacht worden over woordvoerders die vrij makkelijk toegang hebben tot de media en die empathie opwekken, en over alternatieve, positieve contexten die toch nieuwswaardig zijn. (Met dat laatste loopt het vaak mis, onder meer door de gebrekkige vertrouwdheid van hulpverleners met de media.) In de culturele berichtgeving zien we vandaag al dat schizofrenie af en toe opduikt in de biografie van een kunstenaar, zij het voorlopig zonder dat dat het dominante beeld van de stoornis bijstelt. De ervaringen met de strijd om vrouwen en allochtonen op een diversere manier in het nieuws te krijgen, nopen tot bescheidenheid. Maar ze leren ons ook dat vooruitgang wel mogelijk is.

De ombudsman houdt de redactie van De Standaard wekelijks een spiegel voor. Opmerkingen over journalistiek in De Standaard kan u melden via ombudsman@standaard.be

Dit stuk verscheen op de website van De Standaard (10/12/2015)


VVP web • Leuvensesteenweg 517 • B-3070 Kortenberg • Tel: 02 758 08 14 • GSM: 0498 54 37 05 • Fax: 02 759 98 78 • info@vvp-online.be